Nieuws

Het laatste nieuws hebben wij voor u op een rij gezet.

De transitievergoeding en uitzonderingen voor kleine werkgevers tot 1 januari 2020

Werknemers hebben bij ontslag op initiatief van de werkgever recht op een transitievergoeding wanneer de dienstbetrekking twee jaar of langer heeft geduurd.

De hoogte van de vergoeding is gerelateerd aan de lengte van het dienstverband. Als hoofdregel geldt een vergoeding ter hoogte van 1/3 van het maandsalaris per gewerkt dienstjaar, en voor ieder jaar dat het dienstverband langer heeft geduurd dan 10 jaar geldt een vergoeding van 1/2 maandsalaris. De transitievergoeding heeft op dit moment een maximum van € 79.000 of een jaarsalaris bij een hoger inkomen dan € 79.000.

Voor kleine werkgevers geldt onder voorwaarden een aantal uitzonderingen.

Overgangsregeling 50-plussers

Tot 1 januari 2020 geldt voor werknemers die 50 jaar en ouder zijn een overgangsregeling, omdat zij vooralsnog moeilijker een nieuwe baan kunnen vinden dan jongere werknemers.

Zij ontvangen een transitievergoeding van 1 maandsalaris over de dienstjaren dat zij na hun 50e in dienst zijn. Voorwaarde hiervoor is wel dat er sprake moet zijn van een dienstverband van minimaal 10 jaar. Voor de dienstjaren die zij voor hun 50e  in dienst zijn geweest geldt de reguliere berekeningswijze.

Om de financiële belasting voor de kleine werkgever te beperken, geldt deze hogere vijftigplus transitievergoeding niet voor kleine MKB-bedrijven met gemiddeld minder dan 25 werknemers in de tweede helft van het jaar voorafgaand aan het jaar van ontslag.

Hoogte transitievergoeding bij slechte financiële situatie

Voor kleine werkgevers met financiële problemen is een overgangsregeling getroffen. Deze regeling houdt in dat bij de berekening van de transitievergoeding geen rekening wordt gehouden met de duur van de arbeidsovereenkomst vóór 1 mei 2013.

De overgangsregeling loopt tot 1 januari 2020.

Om deze regeling te mogen toepassen moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  1. het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over de drie boekjaren voor het jaar, waarin de arbeidsovereenkomst eindigt, is negatief;
  2. het eigen vermogen van de onderneming is negatief aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt; en
  3. aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar, waarin de arbeidsovereenkomst eindigt, is de waarde van de vlottende activa kleiner dan de kortlopende schulden.

Geplaatst op: 27-09-2018